Nieuws

In het kort

Uit een analyse van het voorschrijfgedrag blijkt dat voorschrijvers in de eerste lijn bij het starten van insuline regelmatig kiezen voor nieuwere insulines. Het IVM voerde deze analyse uit met cijfers van de GIPdatabank voor het project Doelmatig insulinegebruik 1e lijn.

In de eerste lijn start één derde van de nieuwe gebruikers van (middel)langwerkend insuline met NPH-insuline. Van de langwerkende insulines starten de meeste nieuwe gebruikers met biosimilar insuline glargine. Ongeveer één derde van deze patiënten start met een nieuwere insuline. Dat blijkt uit een analyse van het voorschrijfgedrag met data van de GIPdatabank.

Methode

Het voorschrijfgedrag van huisartsen is met cijfers van de GIPdatabank inzichtelijk gemaakt [1]. De cijfers zijn opgevraagd voor de periode juli 2019 tot en met juni 2020. Van ongeveer 40% van deze gebruikers is de voorschrijver bekend. Daardoor zijn met deze cijfers de absolute aantallen gebruikers niet inzichtelijk te maken. Voor deze analyse is gekeken naar de gebruikers waarbij bekend is dat de huisarts voorschrijver is. Dit is het geval voor 31% van het totaal aantal gebruikers van (middel)langwerkend insuline. Nieuwe gebruikers zijn gedefinieerd als gebruikers die in het voorgaande jaar geen voorschrift voor insuline hebben gehad.

NPH-insuline

Uit de cijfers blijkt dat voorschrijvers in de eerste lijn bij nieuwe gebruikers van insuline regelmatig starten met NPH-insuline (32%). Andere patiënten starten direct met een langwerkend insuline. Van alle gebruikers (nieuwe en bestaande gebruikers) gebruikt 13% nog NPH-insuline.

Langwerkende insulines

Van de nieuwe gebruikers die starten met een langwerkend insuline start ongeveer 79% met insuline glargine en 8% met insuline detemir (zie figuur 1). Het is opvallend dat in de eerste lijn 19% gelijk start met insuline glargine 300 E/ml (Toujeo®) en 13% met insuline degludec (Tresiba®). Van alle gebruikers van langwerkende insulines ligt het gebruik van deze insulines op respectievelijk 16% en 18% (zie figuur 2).

 

Figuur 1. Gebruik van langwerkende insulines (nieuwe gebruikers) in de eerste lijn.

 

Figuur 2. Gebruik van langwerkende insulines (alle gebruikers) in de eerste lijn.

Biosimilar insuline

Het gebruik van biosimilar insuline glargine neemt toe. Bij nieuwe gebruikers die starten met langwerkend insuline krijgt 54% een recept voor biosimilar insuline glargine. Voor het referentiegeneesmiddel (Lantus®) is dat 6%. Van het totaal aantal gebruikers van langwerkend insuline ligt het gebruik van biosimilar insuline glargine op 32%. Voor het referentiegeneesmiddel is dat 20%.

Discussie

De NHG-Standaard Diabetes mellitus type 2 (2018) adviseert een (middel)langwerkende insuline bij patiënten die starten met insuline [2]. Het NHG geeft hierbij de voorkeur aan NPH-insuline vanwege de bekende langetermijnveiligheid en kosten. Uit de analyse van de voorschrijfcijfers blijkt echter dat ongeveer twee derde van de patiënten direct start met een langwerkend insuline.

Als een langwerkende insuline in aanmerking komt, adviseert de NHG-Standaard insuline glargine 100 E/ml of insuline detemir. Het NHG beveelt insuline glargine 300 E/ml en insuline degludec niet aan vanwege het ontbreken van duidelijke voordelen ten opzichte van de andere langwerkende insulines en NPH-insuline. Uit deze analyse blijkt dat voorschrijvers in de eerste lijn, niet conform de NHG-Standaard, relatief vaak starten met één van de nieuwere insulines. Omdat de nieuwere insulines duurder zijn, draagt dit bij aan een stijging van de geneesmiddelkosten.

Het aantal gebruikers van biosimilar insuline glargine (Abasaglar®) was de eerste jaren na marktintroductie laag, maar er is nu een inhaalslag zichtbaar [3]. Een verklaring hiervoor is het preferentiebeleid van grote zorgverzekeraars (CZ, Menzis en VGZ), waarbij biosimilar insuline glargine als preferent middel is aangewezen. Dit brengt een kostenbesparing met zich mee, omdat bekend is dat de concurrerende partijen kortingen bieden op de officiële lijstprijzen.

Belang voor de praktijk

Nieuwe gebruikers starten in de eerste lijn regelmatig met een nieuwere insuline dat niet de voorkeur heeft volgens de NHG-Standaard Diabetes mellitus type 2 (2018). Hier valt winst te behalen, omdat de kosten van de nieuwere insulines hoger zijn. Verder kunnen mogelijk meer patiënten eerst starten met NPH-insuline. Als de patiënt hiermee niet uitkomt, heeft insuline glargine 100 E/ml of insuline detemir de voorkeur. Als insuline glargine 100 E/ml in aanmerking komt, kiezen zorgverleners in de eerste lijn vaak voor de biosimilar.

FTO

Wilt u het beleid rondom (biosimilar) insulines bespreken in uw FTO? Het IVM organiseert gratis een voorbereide FTO-bijeenkomst. Meer weten? Hier vindt u extra informatie. Of meld uw FTO-groep direct aan bij m.berk@ivm.nl.

Bronnen

  1. GIPdatabank. Uitvraag insulinegebruikers per voorschrijver. 4 december 2020.
  2. NHG. NHG-Standaard Diabetes mellitus type 2018.
  3. GIPdatabank. 17 december 2020.

Contact

Laatst gewijzigd op 12 januari 2021