Nieuw onderzoek

In het kort

GLP1-agonisten zijn niet geassocieerd met een verhoogd risico op diabetische retinopathie.

GLP1-agonisten zijn niet geassocieerd met een hoger risico op diabetische retinopathie in vergelijking met een combinatie van minimaal twee orale bloedglucoseverlagende middelen. Dat blijkt uit een retrospectief cohortonderzoek van Douros et al. Het onderzoek is uitgevoerd naar aanleiding van de SUSTAIN-6-studie, waarin een mogelijk verhoogd risico op diabetische retinopathie bij GLP1-agonisten werd vastgesteld.

Methode

Het onderzoekscohort was samengesteld uit een database uit het Verenigd Koninkrijk. Het cohort bestond uit patiënten met DM2 die één of meerdere bloedglucoseverlagende middelen gebruikten. De onderzoekers corrigeerden voor onder andere leeftijd, geslacht, HbA1c, behandelduur en aantal bloedglucoseverlagende middelen.

Resultaten

Het totale cohort bestond uit 77.115 patiënten. Hiervan gebruikten 3.047 patiënten een GLP1-agonist. De mediane observatieperiode was 2,8 jaar. 10.763 patiënten kregen de diagnose diabetische retinopathie. Het gebruik van een GLP1-agonist was niet geassocieerd met een hoger risico op diabetische retinopathie vergeleken met het gebruik van twee of meer orale bloedglucoseverlagende middelen: gecorrigeerde hazard ratio (aHR)=1,00; 95% betrouwbaarheidsinterval (95%BI)=0,85 tot 1,17. Bij een langere behandelduur (6,1 tot 12 maanden) waren GLP1-agonisten wel geassocieerd met retinopathie: HR=1,44; 95%BI=1,06 tot 1,95. Patiënten die korter dan 6 of langer dan 12 maanden werden behandeld, hadden geen verhoogd risico op retinopathie (HR=0,94; 95%BI=0,76 tot 1,17 en HR=0,83; 95%BI=0,60 tot 1,15). De totale behandelduur van DM2 en HbA1c op baseline waren niet van invloed op de associatie tussen GLP1-agonisten en retinopathie. In vergelijking met insuline was het gebruik van GLP1-agonisten gedurende minstens 12 maanden geassocieerd met een verlaagd risico op retinopathie: HR=0,48; 95% BI=0,31 tot 0,76.

Conclusie

Alleen bij gebruik tussen de 6,1 en 12 maanden zijn GLP1-agonisten in vergelijking met twee of meer orale bloedglucoseverlagende middelen geassocieerd met een verhoogd risico op diabetische retinopathie. In deze periode is de verlaging van HbA1c het grootst, met als gevolg een verhoging van insulineachtige groeifactoren. In eerder onderzoek is gebleken dat dit kan leiden tot diabetische retinopathie (Henricsson, 2002). Daarnaast is uit dit onderzoek gebleken dat GLP1-agonisten zijn geassocieerd met een verlaagd risico op retinopathie in vergelijking met insuline. Dit resultaat is echter mogelijk vertekend, omdat de insulinegebruikers ouder waren en vaker diabetes-gerelateerde complicaties in het verleden hadden dan gebruikers van GLP1-agonisten.

Belang voor de praktijk

GLP1-agonisten hebben in de NHG-standaard Diabetes mellitus type 2 (2018) alleen een plaats als alternatief voor insuline. Hoewel de cardiovasculaire veiligheid voor een aantal GLP1-agonisten voldoende is aangetoond op korte en middellange termijn, is er nog enige onzekerheid voor het optreden van bepaalde bijwerkingen op lange termijn, waaronder retinopathie. Op grond van deze studie lijkt er geen verband te zijn tussen het gebruik van GLP-1-agonisten en diabetische retinopathie, behalve bij gebruik tussen de 6 en 12 maanden. In vergelijking met insuline is het risico op retinopathie verlaagd. Zoals de auteurs echter aangeven, is hier mogelijk wel sprake van confounding. Er lijkt daarom geen reden om de voorkeur van de NHG-Standaard voor insuline te herzien.

Belangenverstrengeling

Dit onderzoek is gesponsord door een Canadees instituut voor gezondheidsonderzoek. Eén auteur meldt honoraria te hebben ontvangen van een farmaceutisch bedrijf.

Bron
  • Douros A et al. Glucagon-Like Peptide 1 Receptor Agonists and the Risk of Incident Diabetic Retinopathy. Diabetes Care. 2018 Nov;41(11):2330-2338.
  • Henricsson M et al. Progression of retinopathy in insulin-treated type 2 diabetic patients. Diabetes Care. 2002 Feb;25(2):381-5.

 

Contact