Informatiepagina

In het kort

Studenten benoemen als belangrijkste interventie voor het terugdringen van oneigenlijk gebruik van ADHD-medicatie, het beperken van de beschikbaarheid van deze middelen. Zorgverleners, onderwijs- en preventieprofessionals spelen hierbij een belangrijke rol.

Over het project

Het IVM ontwikkelt, in samenwerking met het Trimbos-instituut, in dit vervolgtraject van het project Gezonde Focus, een programma om het bewustzijn van en de kennis over oneigenlijk gebruik van ADHD-medicatie te vergroten onder zorgverleners, onderwijs- en preventieprofessionals en studenten. Daarnaast bieden wij zorgverleners materialen om de kennis, attitude en samenwerking rondom de behandeling van ADHD te verbeteren. Het doel is om hiermee de beschikbaarheid van ADHD-medicatie voor oneigenlijk gebruik te verminderen. Dit programma kent de volgende vier thema’s: 

  1. Vergroten van bewustzijn over en kennis van de risico’s van oneigenlijk gebruik van ADHD-medicatie. 
  2. Versterken van zorgverleners in het rationeel voorschrijven van ADHD-medicatie. 
  3. Aanbieden van handvatten aan zorgverleners, onderwijs- en preventieprofessionals om oneigenlijk gebruik te signaleren en aan te pakken. 
  4. Verbinden van initiatieven en partijen op terrein van onderzoek en implementatie. 

 

Binnen deze thema’s zullen we diverse materialen ontwikkelen zoals educatieve video’s voor de verschillende doelgroepen, een e-learning, themajournaal en FTO-module voor huisartsen en apothekers en een generieke handreiking die zorgverleners, onderwijs- en preventieprofessionals handvatten biedt om het oneigenlijk gebruik te signaleren en aan te pakken. Het IVM zal daarnaast diverse FTO-groepen begeleiden bij een FTO over dit thema en trainingen op locatie aanbieden voor apothekersassistenten. 

Achtergrond en aanleiding

In 2021 heeft het Instituut Verantwoord Medicijngebruik (IVM), in samenwerking met het Trimbos-instituut, een project uitgevoerd naar oneigenlijk gebruik van ADHD-medicatie door studenten. Uit interviews blijkt dat studenten hierbij vooral methylfenidaat gebruiken, een receptplichtig geneesmiddel dat ook op lijst I van de Opiumwet staat. Dit betekent dat het onterecht in het bezit hebben of verhandelen van dit middel strafbaar is. Daarnaast geeft oneigenlijk gebruik risico op bijwerkingen, zoals slapeloosheid, nervositeit en hartkloppingen. Risico’s van het gebruik op lange termijn zijn onbekend. Bij oneigenlijk gebruik is er bovendien geen zorgvuldige indicatiestelling en begeleiding door de arts. Hierdoor is er geen controle op onderliggend lijden zoals cardiovasculaire of psychische aandoeningen, waarbij deze middelen potentieel risicovol kunnen zijn. 

Uit het project blijkt dat bijna een op de twintig (4%) studenten in de afgelopen 12 maanden ten minste één keer ADHD-medicatie oneigenlijk heeft gebruikt. Het belangrijkste motief voor de studenten om deze middelen oneigenlijk te gebruiken is het verbeteren van de concentratie of focus in het kader van studieactiviteiten. Tijdens het project is daarnaast een aantal activiteiten uitgevoerd om te achterhalen of zorgverleners, onderwijs- en preventieprofessionals dit oneigenlijk gebruik herkennen en erkennen. Ook is aan hen gevraagd welke preventieve rol zij zouden kunnen spelen bij het terugdringen van het oneigenlijk gebruik.  

De belangrijkste conclusies uit dit project zijn:  

  • Oneigenlijk gebruik is een multifactorieel probleem bestaande uit persoonlijke kenmerken van de gebruiker (stress, coping), omgevingsfactoren (onderwijs, lage drempel beschikbaarheid middelen), maar ook de algemene maatschappij (prestatiedruk). 
  • ADHD-medicatie voor oneigenlijk gebruik komt uit diverse kanalen: vooral uit het reguliere circuit, maar ook uit het illegale circuit.  
  • Een deel van de zorgverleners, onderwijs- en preventieprofessionals is zich niet bewust van het oneigenlijk gebruik van ADHD-medicatie door studenten. 
  • Een deel van de zorgverleners en studenten ziet oneigenlijk gebruik van ADHD-medicatie niet als probleem. 
  • Studenten noemen als belangrijkste interventie het beperken van de beschikbaarheid van deze middelen. 

Wie zijn betrokken bij het project?

Het IVM voert dit project uit in samenwerking met het Trimbos Instituut. De projectgroep werkt daarnaast samen met relevante stakeholders op het gebied van voorschrijvers, apothekers en onderwijs. 

Wie betaalt het project?

Het IVM voert?dit project, dat een looptijd heeft tot 31 december 2024, uit voor het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. 

Contact

Voor meer informatie over het project kan contact worden opgenomen met Marieke van den Berk-Bulsink (m.berk@ivm.nl). 

Laatst gewijzigd op 5 september 2022