Nieuw onderzoek

In het kort

DPP-4-remmers, SU-derivaten en thiazolidinedionen (zoals pioglitazon) geven elk een HbA1c-verlaging van bijna 10 mmol/mol.

Dipeptidylpeptidase-4-remmers (DPP-4-remmers), sulfonylureumderivaten (SU-derivaten) en thiazolidinedionen (zoals pioglitazon) als toevoeging aan metformine geven elk een HbA1c-verlaging van 9,9 mmol/mol in 6 maanden tijd. Dat is één van de conclusies van een database-studie uit Duitsland, die de mate van HbA1c-daling van verschillende bloedglucoseverlagende middelen onderzocht.

 

Methode

De onderzoekers gebruikten gegevens uit een database met geneesmiddelvoorschriften, diagnoses en basale medische en demografische gegevens van patiënten uit diverse huisartsenpraktijken uit Duitsland. Ze includeerden 7.009 patiënten met diabetes mellitus type 2 (DM2) die al metformine gebruikten en een voorschrift voor een tweede bloedglucoseverlagend middel kregen. De gemiddelde leeftijd was 63 jaar en het HbA1c was gemiddeld 64 mmol/mol. 38,7% kreeg als tweede recept een DPP-4-remmer; 36,3% een SU-derivaat, 13,3% insuline, 5% een thiazolidinedion en 2,5% een glucagonlike-peptide 1-agonist (GLP-1-agonist). Ongeveer vier procent kreeg een overig middel (bijvoorbeeld acarbose of repaglinide). 

 

Resultaten

De onderzoekers bepaalden het HbA1c na zes maanden. DPP-4-remmers, SU-derivaten en thiazolidinedionen gaven elk een HbA1c-verlaging van 9,9 mmol/mol. GLP-1-agonisten veroorzaakten een daling met 7,7 mmol/mol. Insuline verlaagde het HbA1c met gemiddeld 12,1 mmol/mol. Deze patiënten hadden gemiddeld wel een hoger HbA1c aan het begin van de studie dan patiënten die met een andere geneesmiddelgroep startten. 58 procent van de patiënten bereikte een HbA1c van 53 mmol/mol of lager. Patiënten die een DPP-4-remmer, GLP-1-agonist of thiazolidinedion gebruikten hadden een grotere kans om deze streefwaarde te bereiken dan gebruikers van SU-derivaten.

 

Conclusie

De auteurs concluderen dat DPP-4-remmers, SU-derivaten, GLP-1-agonisten en thiazolidinedionen een vergelijkbare HbA1c-daling geven als ze worden toegevoegd aan metformine. Insuline geeft een sterkere HbA1c-daling. 

 

Belang voor de praktijk

De studie bespreekt 'real-world' data vanuit huisartsenpraktijken in Duitsland. Deze populatie is naar alle waarschijnlijkheid beter vergelijkbaar met Nederlandse diabetespatiënten in de huisartsenpraktijk dan de geselecteerde patiënten voor klinische studies. In de Nederlandse NHG-Standaard Diabetes mellitus type 2 (2013) heeft het SU-derivaat gliclazide de voorkeur als een patiënt niet uitkomt met metformine. DPP-4-remmers, GLP-1-agonisten en pioglitazon komen dan niet in aanmerking, onder andere vanwege onbekende langetermijnveiligheid (DPP-4-remmers en GLP-1-agonisten) of slechte langetermijnveiligheid (pioglitazon). Deze studie geeft aan dat deze middelen vergelijkbaar zijn met SU-derivaten wat betreft HbA1c-verlaging bij de huisartsenpopulatie, maar geeft geen informatie over andere effecten op bijvoorbeeld gewicht en harde eindpunten en bijwerkingen. 

 

Belangenverstrengeling

De studie is mogelijk gemaakt door het ministerie van wetenschap en onderzoek van één van de Duitse deelstaten, het ministerie van volksgezondheid en IMS Health. Eén auteur is werknemer van IMS Health en een andere auteur heeft in het verleden subsidie ontvangen van IMS Health.

 

Bron

Rathmann W et al. Change in HbA1c after initiating second-line therapy in Type 2 Diabetes: a primary care database study. Diabetes Obes Metab. 2016 Apr 7.