MOVIE

In het kort

Deze MOVIE geeft een weergave van de veranderingen in het relatief aantal gebruikers van DPP4-remmers. De veranderingen zijn uitgedrukt per tweepositie postcodegebied over de periode van 2007 tot en met 2018. De kaartjes zijn gebaseerd op gegevens van de eerste zes maanden van elk kalenderjaar. 

Tijdlijn

De eerste DPP4-remmer kwam in 2007 op de markt. In de loop van de jaren zijn er meer DPP4-remmers beschikbaar gekomen. Het gebruik van DPP4-remmers nam na de marktintroductie geleidelijk toe, ondanks dat deze middelen in de richtlijnen nog niet zijn opgenomen. Vanaf 2014 neemt het gebruik van DPP4-remmers gemiddeld genomen langzaam af.

Regionale verschillen

Er zijn enkele gebieden in Nederland waar het voorschrijven van DPP4-remmers vaker voorkomt dan in de rest van het land. Dit zijn Den Haag, het Westland en Tilburg. In deze regio’s gebruikte eind 2018 meer dan 10% van de gebruikers van bloedglucoseverlagende middelen (exclusief insuline) een DPP4-remmer. Landelijk ligt dit percentage op gemiddeld 6,3%. De regio’s Hoorn, Sneek en Aduard tellen verhoudingsgewijs het laagste aantal gebruikers van DPP4-remmers.

Definities

Aantal gebruikers van DPP4-remmers: aantal unieke inwoners met minimaal een voorschrift voor een DPP4-remmer per half jaar per postcodegebied.

Aantal gebruikers van bloedglucoseverlagende middelen: aantal unieke gebruikers van bloedglucoseverlagende middelen exclusief insuline per halfjaar per postcodegebied.

Bronvermelding

Voor het maken van de kaarten is gebruik gemaakt van de databank van het Genees- en hulpmiddelen Informatie Project (GIP) van Zorginstituut Nederland. Deze databank bevat informatie over het gebruik van genees- en hulpmiddelen in Nederland. Het betreft informatie over middelen die extramuraal (d.w.z. buiten instellingen als ziekenhuizen en verpleeghuizen) zijn verstrekt en vergoed op grond van de Zorgverzekeringswet. Bijna alle zorgverzekeraars stellen deze informatie ter beschikking aan het GIP. Het GIP doet een kwaliteitscontrole op deze gegevens en corrigeert deze zo nodig. Hierdoor ontstaan betrouwbare en representatieve databestanden over het hulp- en geneesmiddelengebruik. Bij de ramingsmethodiek voor het voorspellen van het ontbrekende deel, houdt Zorginstituut Nederland onder andere rekening met verschillen in de leeftijds- en geslachtsopbouw van de verzekerdenpopulatie.

Contact

Meer informatie

Laatst gewijzigd op 27 januari 2021