MOVIE

In het kort

Deze MOVIE geeft een weergave van de veranderingen in het relatief aantal gebruikers van SGLT2-remmers. De veranderingen zijn uitgedrukt per tweepositie postcodegebied over de periode van 2013 tot en met 2018.

Tijdlijn

De eerste SGLT2-remmer is sinds 2013 op de markt. In de loop van de jaren zijn er meer SGLT2-remmers beschikbaar gekomen. Het gebruik van SGLT2-remmers nam na de marktintroductie geleidelijk toe, ondanks dat deze middelen in de richtlijnen nog niet zijn opgenomen. Naar verwachting neemt het gebruik van SGLT2-remmers de komende jaren verder toe, zeker wanneer deze middelen ook voor de behandeling van hartfalen geregistreerd worden.

Regionale verschillen

Er zijn enkele gebieden in Nederland waar het voorschrijven van SGLT2-remmers vaker voorkomt dan in de rest van het land. Dit zijn Eindhoven, Almelo en Hoogeveen en Meppel. In deze regio’s gebruikte eind 2018 5% van de gebruikers van bloedglucoseverlagende middelen (exclusief insuline) een SGLT2-remmer. Landelijk ligt dit percentage op gemiddeld 2%. De regio’s Leiden, Sneek en Aduard tellen verhoudingsgewijs het laagste aantal gebruikers van SGLT2-remmers.

Definities

Aantal gebruikers van SGLT2-remmers: aantal unieke inwoners met minimaal een voorschrift voor een SGLT2-remmer per half jaar per postcodegebied.

Aantal gebruikers van bloedglucoseverlagende middelen: aantal unieke gebruikers van bloedglucoseverlagende middelen exclusief insuline per halfjaar per postcodegebied.

Bronvermelding

Voor het maken van de kaarten is gebruik gemaakt van de databank van het Genees- en hulpmiddelen Informatie Project (GIP) van Zorginstituut Nederland. Deze databank bevat informatie over het gebruik van genees- en hulpmiddelen in Nederland. Het betreft informatie over middelen die extramuraal (d.w.z. buiten instellingen als ziekenhuizen en verpleeghuizen) zijn verstrekt en vergoed op grond van de Zorgverzekeringswet. Bijna alle zorgverzekeraars stellen deze informatie ter beschikking aan het GIP. Het GIP doet een kwaliteitscontrole op deze gegevens en corrigeert deze zo nodig. Hierdoor ontstaan betrouwbare en representatieve databestanden over het hulp- en geneesmiddelengebruik. Bij de ramingsmethodiek voor het voorspellen van het ontbrekende deel, houdt Zorginstituut Nederland onder andere rekening met verschillen in de leeftijds- en geslachtsopbouw van de verzekerdenpopulatie.

Contact

Meer informatie

Laatst gewijzigd op 20 oktober 2020