Nieuw onderzoek

In het kort

Er zijn geen verschillen in het risico op pancreatitis tussen DPP4-remmers, GLP1-agonisten, insuline, SU-derivaten en thiazolidinedionen. Dat blijkt uit een retrospectieve analyse van Montvida et al.

De onderzoekers gebruikten een Amerikaanse database met gezondheidsgegevens van ruim 34 miljoen patiënten. De onderzoekers includeerden patiënten met DM2 die metformine gebruikten en bij wie een SU-derivaat, DPP4-remmers, GLP1-agonist, insuline of thiazolidinedion werd toegevoegd aan de behandeling. Patiënten met aandoeningen van de pancreas in de voorgeschiedenis werden geëxcludeerd. In totaal includeerden de onderzoekers 225.898 patiënten, waarvan 49% een SU-derivaat ging gebruiken, 22% een DPP4-remmer, 15% insuline, 8% een thiazolidinedion en 6% een GLP1-agonist. De gemiddelde leeftijd was 59 jaar en de mediane follow-up was 3,2 jaar.

Acute pancreatitis

In totaal ontwikkelden 1.049 mensen acute pancreatitis (0,46%). Er was geen significant verschil tussen de DPP4-remmers, GLP1-agonisten en SU-derivaten middelen: het aantal ‘events’ per 1.000 patiëntjaren was respectievelijk 1,31; 1,49 en 1,45. Vergeleken met de DPP4-remmers was bij insuline de incidentie van acute pancreatitis wel significant hoger (2,01/1.000 patiëntjaren), terwijl bij thiazolidinedionen de incidentie lager was (0,89/1.000 patiëntjaren).  

Pancreascarcinoom

357 patiënten (0,16%) ontwikkelden pancreascarcinoom. Er was geen verschil in incidentie tussen de middelen. Wel ontwikkelden patiënten met GLP1-agonisten gemiddeld 3 jaar later pancreascarcinoom dan patiënten met DPP4-remmers. Er waren geen significante verschillen in de kans op - of tijd tot ontwikkelen van - andere aandoeningen van de pancreas tussen de middelen.

Discussie

De belangrijkste conclusie van deze studie is dat DPP4-remmers en GLP1-agonisten de kans op pancreatitis en pancreascarcinoom niet lijken te verhogen bij patiënten met DM2 die al metformine gebruiken. Het aantal gevallen van pancreatitis is het hoogst bij patiënten die insuline gaan gebruiken en het laagst bij patiënten met thiazolidinedionen. Bij GLP1-agonisten is de gemiddelde tijd tot ontwikkelen van pancreascarcinoom langer dan bij DPP4-remmers, maar ten opzichte van andere middelen is er geen significant verschil.

De verhoogde kans op pancreatitis bij insulinegebruikers kan een gevolg zijn van de gemiddeld hogere ziektelast en comorbiditeiten bij deze patiënten. In een retrospectieve analyse is het niet mogelijk daar volledig voor te corrigeren.

De sterke kanten van deze analyse betreffen het grote aantal geïncludeerde patiënten en de vergelijking tussen meerdere groepen geneesmiddelen. Ondanks het aantal geïncludeerde patiënten is het aantal gevallen van pancreatitis en pancreascarcinoom beperkt. Andere beperkingen zijn de retrospectieve opzet, waardoor het risico op confounding en bias bestaat. Niet alle baselinegegevens van risicofactoren voor aandoeningen van de pancreas (bijvoorbeeld alcoholconsumptie, roken en genetische factoren) waren beschikbaar, evenmin als gegevens over therapietrouw. 

Belang voor de praktijk

DPP4-remmers en GLP1-agonisten zijn in diverse studies (preklinisch, klinisch en observationeel) in verband gebracht met een (klein) verhoogd risico op pancreatitis en pancreascarcinoom. Een uitgebreide toelichting beschouwing hierover vindt u in de uitgebreide informatie pancreatitis en pancreascarcinoom bij de DPP4-remmers en GLP1-agonisten.

Deze grote observationele studie bevestigt een eventueel verhoogd risico niet. De grootste beperking van deze studie vormt de observationele opzet, waardoor door gebrek aan randomisatie ook (andere) baselinefactoren de kans op pancreatitis en pancreascarcinoom beïnvloed kunnen hebben. Uit deze studie blijkt in ieder geval (opnieuw) dat het absolute risico op pancreatitis en pancreascarcinoom laag is.

Belangenverstrengeling

Diverse auteurs hebben financiële banden met diverse geneesmiddelfabrikanten, waaronder van DPP4-remmers en GLP1-agonisten.

Bron

Montvida O et al. Treatment with incretins does not increase the risk of pancreatic diseases compared to older anti-hyperglycaemic drugs, when added to metformin: real world evidence in people with Type 2 diabetes. Diabet Med. 2019;36(4):491-498.

Contact

Laatst gewijzigd op 21 oktober 2019

Deze site maakt gebruik van cookies

Wij gebruiken cookies om informatie over het gebruik van onze website te verzamelen om de inhoud te verbeteren. Door hieronder op “accepteren“ te klikken stem je in met het plaatsen en gebruik van al onze cookies. Voor meer informatie verwijzen wij je naar ons cookiebeleid.