Informatiepagina

In het kort

Een aantal opvallende uitkomsten uit het rapport Monitor Voorschrijven Huisartsen 2017.

Het jaarlijkse rapport Monitor Voorschrijven Huisartsen (MVH) van het IVM biedt veel cijfermatige informatie over de behandeling van bepaalde aandoeningen. Hier lichten we een aantal opvallende uitkomsten van het rapport uit. 

Meer weten?

Wilt u meer weten over het voorschrijfgedrag van huisartsen in 2016? Lees dan het rapport Monitor Voorschrijfgedrag Huisartsen 2017

Hoe lang gebruiken patiƫnten middelen bij prostaathyperplasie?

De duur van het gebruik van deze middelen wisselt sterk. 31 procent van de nieuwe gebruikers heeft maar één recept gekregen. Ze gebruiken dus waarschijnlijk maximaal 15 dagen een middel bij prostaathyperplasie. Van de nieuwe gebruikers gaat 56 procent door met hetzelfde middel. Bijna de helft (46 procent) van hen stopt binnen zeven maanden na het eerste recept. De NHG-Standaard Mictieklachten bij mannen (2015) adviseert gebruikers van deze middelen na zes maanden op proef te stoppen met het geneesmiddel.

Welke middelen bij prostaathyperplasie schrijven huisartsen voor?

Huisartsen schrijven vooral tamsulosine en alfuzosine voor. Deze middelen krijgen de voorkeur van de NHG-Standaard Mictieklachten bij mannen (2015). Samen zijn deze middelen goed voor 88 procent van de eerste recepten uit de geneesmiddelgroep van middelen bij prostaathyperplasie. De 5-alfareductaseremmers en de combinatiemiddelen zijn veel minder vaak het eerste middel dat de huisarts aan een patiënt voorschrijft.

Hoeveel mensen gebruiken middelen bij prostaathyperplasie?

In 2016 gebruikten ruim 326 duizend mensen een geneesmiddel bij prostaathyperplasie. Gebruikers zijn vooral mannen, en dan met name mannen ouder dan 50 jaar. Hoe ouder de mannen worden, hoe meer er een middel bij prostaathyperplasie gebruiken. Bij de mannen van 95 jaar en ouder is dat 31 procent. In de Limburg en Noord-Brabant wonen relatief veel gebruikers van middelen bij prostaathyperplasie.

Wat schrijven huisartsen als derde middel voor bij diabetes mellitus type 2?

Meestal schrijven huisartsen insuline voor bij patiënten die niet uitkomen met metformine en een sulfonylureumderivaat. Van alle patiënten bij wie de huisarts de therapie intensiveerde, begon 62 procent met insuline. Op de tweede plaats komen de dipeptidylpeptidase-4-remmers (DPP-4-remmers met 29 procent. De natrium-glucose-cotransporter 2-remmers (SGLT-2-remmers) zijn voorgeschreven aan 7 procent van de patiënten bij wie de huisarts een extra middel startte.

Internisten schrijven bij het intensiveren van de therapie aan 46 procent van de mensen insuline voor. DPP-4-remmers zijn de derde stap bij 27 procent van de mensen. Op de derde plaats komen de glucagon-like peptide 1-agonisten (GLP-1-agonisten) met 16 procent.