Nieuws

In het kort

Biosimilars zijn een kwalitatief gelijkwaardig maar goedkoper alternatief voor originele biologische middelen.

Biosimilars zijn een kwalitatief gelijkwaardig maar goedkoper alternatief voor originele biologische middelen. Hierdoor kon in 2018 € 150 miljoen worden bespaard t.o.v. de uitgaven in 2014 en konden bijna 25% meer patiënten worden behandeld met biologische middelen. Dat blijkt uit een notitie van het programma Biosimilars op Maat (BOM), een initiatief van Biosimilars Nederland en het Instituut Verantwoord Medicijngebruik in opdracht van VWS. De notitie is, naast de resultaten van het programma BOM, gebaseerd op de rapporten GIP-cijfers1 en een sectorrapport van de ACM2.

De introductie van biosimilars zorgde ook voor meer marktwerking. Daardoor dalen de prijzen van gelijkwaardige middelen, maar ook van andere geneesmiddelen binnen hetzelfde indicatiegebied. Zo daalden de prijzen van drie TNF-alfaremmers (adalimumab, certolizumab en golimumab) waarvoor in 2018 nog geen biosimilar beschikbaar was met 13 tot een kleine 20%. Volgens de BOM-onderzoekers probeerde Humira® zo het marktaandeel te consolideren met langlopende contracten om te voorkomen dat het door de toekomstige inzet van biosimilars fors marktaandeel zou verliezen.

Goede argumenten

“Biosimilars dragen zo ook breder bij aan een betere betaalbaarheid van geneesmiddelen”, zegt Arnold Vulto, voorzitter van Biosimilars Nederland. “Dat is goed nieuws aan het begin van het jaar, dat ook wel eens verteld mag worden, want veel professionals in de zorg hebben zich hiervoor ingespannen.”

Volgens Vulto zorgt het BOM-programma voor meer kennis over biosimilars, waardoor het draagvlak onder zorgverleners om deze middelen in te zetten wordt vergroot. “Ze kunnen hun voorschrijf- en keuzebeleid nu van goede kennis en argumenten voorzien”, meent Vulto. “Zo draagt het BOM-programma bij aan kostendalingen en gunstige marktontwikkelingen voor biologische geneesmiddelen in Nederland.”

Flinke besparing

Dat biosimilars leiden tot een flinke besparing bewijzen onder meer de TNF-alfaremmers etanercept en infliximab. In 2014 werd aan beide middelen € 310 miljoen uitgegeven, door de komst van biosimilars in 2015/2016 daalde dat bedrag met € 109 miljoen naar € 201 miljoen in 2018.

Per patiënt betekende dit een besparing van 44% voor etanercept (van € 10.932 naar € 6134) en 50% voor infliximab (van € 15.425 naar € 7698). Binnen de oncologie/hematologie gingen de uitgaven van rituximab omlaag van € 62 miljoen (2014) naar € 45 miljoen (2018). Per patiënt betekende dit een besparing van 44%.

Vulto concludeert dat van de vijf biosimilar-beloftes er vier zijn waargemaakt de afgelopen vijf jaar. Biosimilars zijn een goedkoper alternatief. Daardoor dalen ook de kosten van andere middelen in een bepaalde therapeutische categorie. Meer patiënten kunnen worden behandeld binnen het budget en er wordt budget vrijgemaakt voor nieuwe –dure- innovaties. Alleen de vijfde belofte -door gunstigere kosteneffectiviteit van biosimilars kunnen patiënten eerder toegang krijgen tot deze voorheen voor sommige indicaties/behandeltrajecten te dure middelen- kon niet voldoende worden aangetoond. Vulto: “Hier is nader Onderzoek voor nodig.”

------

1. GIP databank cijfers, september 2019, overzicht intramurale dure geneesmiddelen 2014-2018
2. ACM sectorrapport, september 2019, ‘Sectoronderzoek TNF-alfaremmers, concurrentie voor en na toetreding van biosimilars’

Contact